Koninklijk Atheneum 1 Brugge Centrum:
een school met een rijke geschiedenis

1816

Willem I wil naast de drie universiteiten in het Noorden ook drie universiteiten in het Zuiden oprichten. Hij kiest voor Leuven, Gent en Luik. Andere steden (waaronder Brugge) hebben zich eveneens kandidaat gesteld, maar krijgen “slechts” een atheneum. Het “Athenaeum Regium Brugense” vindt onderdak in de Duinenabdij aan de Potterierei.

1830

Na de onafhankelijkheidsverklaring van België komt een einde aan de onderwijspolitiek van Willem I. Het Brugse stadsbestuur beheert voortaan het atheneum en schrapt het Nederlands als voertaal.

1850

Een liberale regering slaagt erin middelbaar onderwijs te organiseren onder de bevoegdheid van de centrale overheid. Bij wet worden tien koninklijke athenea opgericht. Zoals de andere provinciehoofdplaatsen krijgt Brugge nu ook rijksonderwijs. Het atheneum verhuist van de Potterierei van de Verversdijk. Ruim 130 leerlingen laten er zich inschrijven.

1878

De parlementaire verkiezingen bezorgen de liberalen een ruime meerderheid in Kamer en Senaat. Onmiddellijk wordt een ministerie van Openbaar Onderwijs opgericht. Er volgt een periode van “schooloorlog”, want de katholieken verzetten zich met alle middelen tegen de voorgenomen laïcisering van het onderwijs door de liberalen. Massale manifestaties en bisschoppelijke veroordelingen kunnen echter niet verhinderen dat de regering haar wil doordrijft. Die maatregelen laten diepe sporen achter, ook in Brugge.

1884

De kiezers bezorgen de liberalen een zware nederlaag. Het ministerie van Openbaar Onderwijs wordt afgeschaft. De katholieken nemen de verloren posities weer in en zullen dertig jaar lang hun meerderheid in het parlement behouden. Het Brugse atheneum ontsnapt niet aan de vergeldingsacties: zo verliest het in 1890 definitief zijn pensionaat.

1892

Het “Vlaamsch Vrijzinnig Studentenverbond” vergadert in Brugge en bepleit de vervlaamsing van het onderwijs, meer bepaald van de Gentse universiteit. Leerlingen van het Brugse atheneum, verenigd in “De Van Maerlant’s Zonen”, worden door hun leraar Julius Sabbe aangemoedigd om de Vlaamse eisen kracht bij te zetten.

 

1914

Wanneer Duitse troepen Brugge bezetten, gebruiken zij het atheneumgebouw als kazerne en moeten de leerlingen op andere plaatsen in de stad onderwijs krijgen. In oktober 1919 kunnen de leerlingen naar de Verversdijk terugkeren.

1921

Bij wet wordt een “Fonds voor Meestbegaafden” in het leven geroepen, dat toelagen zal verlenen aan jongens en meisjes die zeer begaafd zijn, maar waarvan de ouders niet de financiële middelen bezitten om studies na het lager onderwijs te bekostigen. Zo komen meer leerlingen naar het atheneum.

1923

Met een ministeriële toelating doet het eerst meisje haar intrede in het atheneum. De daaropvolgende jaren zal de regelgeving versoepeld worden en zal het aantal meisjes op het atheneum geleidelijk toenemen. Van coëducatie is echter nog geen sprake: de meisjes moeten de school binnenkomen via het Kandelaarstraatje, mogen geen voet zetten op de speelplaats van de jongens en moeten in de klas vooraan zitten.

1932

Na jarenlange discussies wordt eindelijk een wet goedgekeurd, waarbij de voertaal in het onderwijs steeds dezelfde moet zijn als die van het taalgebied. Faciliteiten zullen evenwel nog toegestaan worden. Zo wordt het atheneum Nederlandstalig, maar mag het een “Régime Wallon” in stand houden, dat echter na enkele jaren zal uitsterven.

1940

De Duitse inval zorgt voor een herhaling van wat het atheneum tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft meegemaakt. De leerlingen moeten zich weer verspreiden over andere gebouwen in de stad. Daarbij komt nog dat zij bij elk luchtalarm dienen te vluchten naar schuilkelders.

1945

Na de oorlog nemen enkele atheneumleerlingen het initiatief om het schoolblad “Het Belfort” uit te geven. Uit die groep ontstaat een paar jaar later de “jeugdkring” van de Oud-Leerlingenbond van het Atheneum, die tal van activiteiten organiseert.

1954

De socialisten komen als overwinnaars uit de parlementaire verkiezingen. Samen met de liberalen vormen zij een coalitieregering, die meteen aankondigt dat het officieel onderwijs zal uitgebreid en verbeterd worden. Wat in de periode 1878-1884 gebeurde, herhaalt zich: de oude strijd tussen rijksonderwijs en vrij onderwijs laait weer op.

1955

Een “Nationaal Comité voor Vrijheid en Democratie” behartigt de belangen van het katholiek onderwijs, organiseert protestdemonstraties en spoort aan tot schoolstakingen. Wanneer te Brugge de eerstesteenlegging van het nieuwe atheneumgebouw in de Sint-Clarastraat plaatsheeft, wordt de plechtigheid verstoord door tegenstanders van de rood-blauwe regering.

1957

Tijdens de kerstvakantie hebben zowel leraars als leerlingen helpen sjouwen om meubilair en didactisch materiaal van de Verversdijk over te brengen naar de Clarastraat.

1958

De parlementsverkiezingen, voor een groot deel gedomineerd door de “schoolkwestie” , bezorgen de CVP bijna een volstrekte meerderheid. Met de steun van een paar liberalen wordt een nieuwe regering gevormd. Men wil de strijdbijl begraven: een “Nationale Schoolcommissie”, met vertegenwoordigers van de drie nationale partijen, gaat aan het werk en bereikt in november 1958 een compromis, dat leidt tot een “schoolpact”.

1970

Na een korte proefperiode wordt in alle rijksscholen een “associatief beheer” in het leven geroepen, waarbij vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel, van de leerlingen, van de ouders en van de oud-leerlingen of vriendenkringen (onder voorzitterschap van het instellingshoofd) adviezen mogen geven en eventueel zelf beslissingen kunnen nemen.

Bijna gelijktijdig wordt, bij wijze van experiment, in de rijksscholen van Brugge, Hasselt en Volvoorde gestart met een “vernieuwd secundair onderwijs” (VSO). Naast een gemeenschappelijke vorming wil men, via een systeem van opties, mogelijkheid bieden tot differentiatie op grond van capaciteiten en belangstelling. Dit gebeurt in drie cycli van telkens twee jaar, respectievelijk gewijd aan observatie, oriëntatie en determinatie.

1971

Een wet bepaalt de nieuwe structuur en organisatie van het secundair onderwijs. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het algemeen secundair onderwijs (ASO), het technisch onderwijs (TSO), het beroepssecundair onderwijs (BSO) en het kunstsecundair onderwijs (KSO). In het secundair onderwijs van het rijk zal de VSO-structuur geleidelijk de traditionele humaniora-indeling vervangen. Nog een verandering in het rijksonderwijs is de veralgemening van coëducatie. Dat leidt in een aantal steden tot fusionering van scholen. Zo komt het in Brugge tot een samensmelting van het koninklijk lyceum met het koninklijk atheneum.

1983

De verlenging van de leerplicht wordt bij wet geregeld. Voortaan is elke minderjarige verplicht om onderwijs te volgen gedurende een periode van twaalf jaar. De leerplicht wordt opgetrokken van 14 tot 18 jaar.

1988

Aan de Gemeenschappen wordt de volledige bevoegdheid i.v.m. het onderwijs overgedragen. Onderwijs is dus niet langer nationale materie. Met ingang van januari 1989 zal elke Gemeenschap autonoom kunnen beslissen over haar onderwijsbeleid.

1989

Geleidelijk wordt in alle Nederlandstalige secundaire scholen een “eenheidsstructuur” ingevoerd. Het is de bedoeling zowel elementen van het type 1 (VSO) als van het type 2 (traditioneel onderwijs) met elkaar te vermengen. Er is enige moeite nodig om sommige scholen in het vrij onderwijs te overtuigen.

1998

Een bijzonder decreet van 14 juli legt nieuwe structuren vast voor het gemeenschapsonderwijs. Er worden drie bestuursniveaus onderscheiden: het lokale niveau (dit zijn de scholen, met aan het hoofd een directie en een adviserende schoolraad), het meso-niveau (dit zijn de scholengroepen binnen een bepaalde regio, geleid door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een algemeen directeur en een college van directeurs), het centrale niveau (dit is de Raad van het Gemeenschapsonderwijs).

2000

Jubileumviering: 150 jarig bestaan van het Koninklijk Atheneum.

2010

Het Atheneum wordt officiëel Vlaams Erfgoed en krijgt een Speciale Vermelding van Faro, Vlaams steunpunt voor Cultureel Erfgoed.